Beeld je dit even in alsof je het zelf meemaakt. Dat beeld heb ik nodig om je mee te nemen in deze theorie en in de paradox die erin schuilt.
“De rivier is vanmorgen gehuld in een dikke, grijze sluier. Je zit in je kleine houten roeibootje en de wereld is gekrompen tot een paar meter water direct om je heen. Neen, ik neem je niet mee in een Stephen King horrorverhaal. Het is stil. Je luistert naar het zachte klotsen van het water. En dan, vanuit het niets, doemt er een vorm op uit de mist. Voor je kan bijsturen: boem. Een doffe klap.”
In zo’n scenario reageert je lichaam eerst. Een schok. Meteen daarna volgt vaak irritatie. Je wil roepen naar degene die de botsing heeft veroorzaakt. Tot de mist even openbreekt.
“Je ziet de andere boot. Hij is leeg. Geen roeier, geen kapitein met een verborgen agenda, een kleine knipoog naar mijn vorig blog, geen kwaad opzet. Enkel een losgeslagen stuk hout dat door de stroom jouw kant is op geduwd.”
De boosheid die nog net als statische elektriciteit onder je huid knetterde, zakt weg in stilte en wat gemompel. Want tegen wie moet je boos zijn? De roeiboot? De rivier? De wind?
Bovenstaande is mijn eigen interpretatie van Zhuang Zi’s verhaal over de lege veerboot. Zhuang Zi was een Chinese dichter en taoïstisch filosoof. Hij schreef 2200 jaar geleden een boek dat nog steeds invloed uitoefent op de Chinese cultuur.
Op het eerste gezicht lijkt zijn theorie over het legen van jezelf, van je ego, de ultieme weg naar onkwetsbaarheid. Als er geen ik meer is dat geraakt kan worden, glijdt elke botsing van je af als water van een eendenvacht. Sommige interpretaties gaan zelfs zo ver dat ze pleiten voor een vorm van emotionele gevoelloosheid. Als je onverschillig genoeg wordt, doet niets nog pijn.
De theorie klinkt mooi. In het echte leven voelt het vaak anders. De praktijk lijkt eerder op een mistige rivier vol menselijkheid. Als sensitieve mensen staan onze antennes vaak constant uit. We zien de mist niet alleen, we voelen hem ook. We proeven de lading die erin hangt. We merken wanneer een boot niet zomaar voorbijdrijft, wanneer er iemand aan het roer staat met een heel specifiek plan. Een tactische zet. Een politiek spel. Een onuitgesproken moeten.
Op zulke momenten is die boot, die vanop afstand leeg lijkt, allesbehalve leeg. We zien de kapitein sturen. We voelen de volle lading. We merken wat de koers van die ander met ons doet.
Dat zijn uitdagingen waar we in een professionele en soms ook privéomgeving vaak mee worstelen. We willen toch niet evolueren naar onverschilligheid? Wat maakt ons dan nog menselijk? Voor mij zit het antwoord in het bewust kiezen welke boot ik als leeg beschouw, ook wanneer ik ergens voel dat er onder de oppervlakte wel degelijk iets meespeelt.
Het is een actieve keuze. Een oefening in perspectief.
Om die keuze te kunnen maken, moeten we eerst begrijpen wat er aan boord ligt. In de mist van onze dagelijkse interacties komen we namelijk twee heel verschillende soorten ballast tegen.
Aan de ene kant is er de emotionele ballast. Dat is de lading die we allemaal meedragen: stress, onzekerheid of persoonlijke zorgen. Het zijn de stenen in iemands boot die ervoor zorgen dat hij diep in het water ligt en moeilijk kan bijsturen. Wanneer zo’n boot tegen ons aan botst, is er geen kwaad opzet. De ander is simpelweg te zwaar beladen om koers te houden. Dat is de boot die we met compassie leeg kunnen verklaren. Het is onmacht, geen aanval.
Aan de andere kant is er de misleidende lading. Dat is de ballast van het politieke spel, van manipulatie en van verborgen agenda’s. Dat zijn geen stenen die toevallig aan boord liggen. Dat is munitie. Deze kapitein vaart niet onhandig. Hij vaart berekend. Hij gebruikt zijn lading om ruimte in te nemen of om de koers van een ander te veranderen.
Ik heb interpretaties gelezen die zeggen dat we onverschillig moeten worden voor de lading van een ander. Voor mij klopt dat niet. Dat zou ons eerder robots maken dan mensen. Ons empathisch vermogen is er niet toevallig. Het is een van de manieren waarop we verbinding maken.
Wanneer de boot van een ander tegen ons botst, met zichtbare of onzichtbare lading, is het dus volkomen oké om irritatie, boosheid of verdriet te voelen. De crux zit niet in het onderdrukken van die gevoelens, maar in wat we er daarna mee doen. We hoeven de intentie van de ander niet te ontkennen, maar we kunnen ze wel ontwapenen in functie van ons eigen welzijn.
We veranderen de lading door te beseffen dat de kapitein aan de overkant vaak handelt vanuit een eigen zware ballast. Stress. Angst om de controle te verliezen. Zorg om imago. Manipulatie. Een verborgen agenda. Of gewoon een gebrek aan overzicht. Zo maken we de boot voor onszelf leeg van persoonlijke aanval en vullen we hem met menselijke onmacht.
In een professionele omgeving is die lege boot voor mij geen passief concept, maar een actieve strategie. Mijn antennes werken als een soort sonar. Ik scan de boot die op me afkomt. Ik schat in hoeveel schade de verborgen lading, die onuitgesproken agenda, werkelijk kan aanrichten aan anderen of aan mijn eigen koers.
Komt het vooral voort uit de onmacht van de ander, dan maak ik de boot in mijn hoofd leeg en laat ik hem voorbijdrijven. Is er een reëel risico op schade, dan stuur ik bij. Die bewuste keuze om de intentie te ontwapenen, voor ieders bestwil en ook voor mezelf, is wat me meestal overeind houdt.
Dat filteren en inschatten, het onderscheid maken tussen iemands onmacht en iemands manipulatie, is topsport voor de geest. Het vraagt een helder hoofd om te kunnen zeggen: dit is niet van mij, dit hoef ik me niet aan te trekken.
In weken waarin mijn eigen batterij op rood springt, valt die filter weg. De mist trekt niet op. Ze verstikt. Ik heb de kracht niet meer om de lading van de ander te neutraliseren. Elke botsing komt ongefilterd binnen. De klap is dan geen dof geluid van hout op hout, maar een inslag recht in mijn kern. Ik trek me alles aan, simpelweg omdat ik de deur niet meer dicht krijg.
Ik wilde dit blog schrijven om jullie te inspireren tot een genuanceerd gebruik van de lege-boot-theorie. Alleen zit ik momenteel zelf diep in die mist. Ik merk dat mijn eigen boot te vol zit om de onderliggende lading van anderen nog te filteren. Alles voelt zwaar. Elke intentie voelt als een aanval.
Misschien is de belangrijkste les van de lege boot uiteindelijk deze: erkennen wanneer je eigen boot te vol zit om nog abstractie te maken van de ander, en weten welk effect dat heeft op je eigen emoties. Toegeven dat de rivier vandaag te onrustig is. En dat het oké is dat je even niet die onverstoorbare roeier hoeft te zijn.
De grootste zachtheid zit niet in het leegmaken van de boot van de ander, maar in het erkennen hoe vol de jouwe zelf geworden is.
Plaats een reactie